top of page

Ontevreden over de politiek

CARLO DEVLIEGER, oktober 2023

Nogal wat burgers zijn ontevreden over de mate van invloed die ze kunnen uitoefenen op de politiek. Burgers vinden vaak dat zij niet gehoord worden, of onvoldoende vertegenwoordigd zijn. Maar waarom dat zo is, vanuit welke beleving van de politieke werkelijkheid om hen heen, blijft onduidelijk. Als mensen, bijvoorbeeld, zeggen dat ze te weinig invloed hebben, wat voor invloed zoeken ze dan? Invloed op wat? Als ze zeggen zich niet vertegenwoordigd te voelen, wat bedoelen ze dan? Vertegenwoordiging in welke zin? Wat is er aan de hand wat hen betreft in politiek en bestuur dat zij tot bepaalde inzichten hierover komen? We weten niet hoe begrip van de politieke en bestuurlijke omgeving burgers een rol speelt in de wijze waarop burgers bepalen wat hun koers moet zijn; hoe zij zich naar hun idee kunnen verhouden tot de politiek en wat hun rol als burgers kan zijn. In weerwil van veel discussie over ‘de kloof’ tussen overheid en burgers - hoe burgers hun relatie met de overheid zien, op welke interpretatie van de politieke werkelijkheid, en welk perspectief op de eigen rol hun visie en handelen gestoeld is, is goeddeels onbekend. In dit onder- zoek staan daarom twee vragen centraal: als burgers ervaren dat zij naar hun idee onvoldoende mogelijkheden hebben om een rol te spelen in de democratie, (1) hoe spelen dan beelden van de politieke werkelijkheid - de praktijken die zij zien - daarin een rol, en (2) wat zeggen die beelden ons over de normen die zij hanteren ten aanzien van hun rol in de democratie? Twintig burgers die ontevreden zijn over het functioneren van de democratie werden geïnterviewd.

Uit mijn gesprekken met burgers blijkt dat vrijwel alle kiezers betekenisvol onderscheid maken tussen politieke partijen, en meestal ook een partijvoorkeur uit kunnen spreken. Tegelijkertijd is het mandaat dat zij toekennen aan partijen beperkt: herkenning in partijstandpunten maakt nog geen vertegenwoordiging, wat kiezers betreft: er is voor kiezers niet zozeer een kloof tussen kiezers en partijen als wel tussen partijen en de dagelijkse politieke praktijk - het is in die praktijk dat vertegenwoordiging gemist wordt. Bewijs daarvan is de repititieve electorale afstraffing van regerende partijen. In gesprekken klagen mensen over de gebreken van de democratie die voor hen maken dat de democratie niet naar behoren functioneert: politici handelen ‘op eigen titel’, houden zich onvoldoende aan beloften, en zorgen onvoldoende voor ervaarbaar resultaat. Visies achter beleid, debat en afwegingen zijn in de verhalen over de gebrekkige verbinding tussen burgers en de democratie vaak van weinig betekenis, en lijken voor kiezers onherkenbaar. Delegeren van vertegenwoordiging aan politici, werkend via de politieke processen binnen de vertegenwoordigende democratie, wordt daarmee voor deze burgers problematisch.

Maar dit betekent niet dat burgers in verwarring toekijken. Wat we zien is dat ontevreden burgers voor zichzelf eenvoudige uitgangspunten hanteren - uitgangspunten die voor hen de democratie oriënteerbaar maken. Zie ik dat politici uitgaan van wat ik/de mensen belangrijk vinden? Zie ik dat zij zich aan beloften houden? Zie ik resultaat? Zie ik dat zaken die goed zouden moeten gaan ook goed gaan? Zie ik dat de werkelijkheid (zoals ik die zie), ook uitgangspunt van de politiek is? De praktijken die zij zich verbeelden, en waaraan zij betekenissen toekennen die er toe doen, zijn praktijken die voor hen kenbaar zijn. Aan die kenbaarheid zitten grenzen, en veel blijft dus buiten beeld.

Ik zie ook dat kiezers weinig legitimiteit toekennen aan onderhandeling en compromisvorming, maar zich aan die processen ook weinig gelegen laten liggen; deze hebben in de normen die we in hun verhalen tot uitdrukking zien komen nauwelijks een plaats. Kiezers richten zich in verhalen over hun verbinding met de democratie op wat voor hen politiek ‘oriënteerbaar’ maakt: duidelijke agendapunten waaraan wordt vastgehouden, leiderschap dat doorpakt en ‘dicht bij de mensen staat’ en resultaat dat direct ervaarbaar is. De klachten die kiezers presenteren over vertegenwoordigers die niet vertegenwoordigen, beloften die niet waargemaakt worden, en resultaat dat uit lijkt te blijven, zijn op zichzelf bekend. Het inzicht dat deze elementen voor burgers ijkpunten zijn die de verder complexe en ondoorzichtige politiek tot iets oriënteerbaars maken waarmee je je kunt verhouden, is wel recent.

Het vertelt namelijk iets over de normen die burgers hanteren, en de norm van oriënteerbaarheid heeft hier een centrale positie. Politiek moet begrijpelijk, navolgbaar en afrekenbaar zijn – voor burgers die de complexiteit van de politiek vaak wel zien maar die naast zich neerleggen. Deze burgers oriënteren zich op dat wat voor hen, met hun kennis en mogelijkheden, kenbaar is. Wat buiten de eigen kennis en mogelijkheden valt, valt buiten het spectrum van praktijken via welke verbinding ervaren kan worden. Onnavolgbare en voor hen als niet- beïnvloedbaar ervaren processen kunnen, als interveniërend in de gezochte directe relatie tussen burger en politiek, hooguit afbreuk doen aan de verbinding. De normstelling die we bij deze kiezers zien kunnen we beschouwen als een vraag om populistische politiek, waarin een directe relatie tussen politiek en burgers als ideaal wordt neergezet, en complexiteit als ondemocratisch, want burgers uitsluitend, geldt. Het is immers niet alleen zo dat complexiteit hier de politiek ontoegankelijk maakt – het is ook dat die ontoegankelijkheid een probleem is voor de democratie, niet aanvaardbaar is in de zin dat kiezers per se niet concluderen dat de politiek overgelaten moet worden aan de experts, dan wel vraagt om ‘beter geïnformeerde’ burgers.

Veel analyses van de democratie die gepubliceerd zijn in de afgelopen jaren wijzen op het ontbreken van onderscheidende en coherente visies van partijen die daarmee als vertegenwoordigend kunnen gelden voor burgers die zich in zo een visie herkennen. In lijn hiermee zien we hier dat de kiezers in dit onderzoek de democratie niet bezien in termen van coherente en onderscheidende visies en het proces van debat, strijd en afweging daartussen. Maar terwijl die visies, en democratische processen hierin geworteld, slechts een beperkte rol spelen, zien we kiezers niet die beperktheid van mogelijkheden ter discussie stellen, maar vanuit andere oriëntatiepunten een voorstelling ontwikkelen van de politiek en ‘waar het om gaat’. We zien dit waar het gaat om de instellingen en processen van de democratie, maar ook waar het gaat om politieke inhoud. Over grenzen van politieke voorkeuren heen stellen kiezers ‘de politiek’ tegenover ‘de samenleving’, in de betekenis van ‘de politiek’ tegenover de burgers die met het handelen van die politiek geconfronteerd worden. Het politieke gezicht van ‘de politiek’ blijft vaak diffuus en arm aan betekenis; er mogen dan wel waarden in te erkennen zijn; deze waarden zijn in de verbeelding die in de verhalen van kiezers tot uitdrukking komen vaak niet zozeer uitkomst van een democratisch proces als wel bijproduct van het draaien van een statelijke machinerie die ingrijpt in het leven van mensen. Terwijl de politiek als levende wisselwerking van herkenbare, betekenisvolle visies betrekkelijk weinig aan de orde is, zien we in de verbeelding van de democratie van burgers wel degelijk een wisselwerking van betekenisvolle opposities: die van politiek (als staat) en leefwereld.


De ervaring van het ingrijpen van de politiek in de leefwereld levert voor kiezers materiaal op om meningen over politiek te vormen en aan politiek burgerschap gestalte te geven. Kennis over, en ervaring met beleid vormen dit materiaal. Klachten, over de zorg en het onderwijs, de koopkracht- problemen van de lagere inkomens, de bureaucratie, de grote projecten met twijfelachtige legitimiteit, en meer lokale en persoonlijke ervaringen, hebben hierbij een centrale rol. We kennen veel van deze klachten. Het repertoire aan diagnoses om de ervaren problemen te karakteriseren kennen we ook: ‘niet weten wat er leeft’, ‘niet luisteren’. In die zin biedt mijn observatie niets nieuws. Wat wel interessant is, is waartoe deze bevindingen leiden.

Het gaat dan niet slechts om klachten over beleid; het zijn vaak klachten met een politieke lading. Het is de democratie die faalt; de problemen worden beschreven om een meer algemene politieke miskenning van burgers aan het licht te brengen en de aard van het falen van de democratie te karakteriseren. En het is via beleid dat erkenning van burgers, vanuit democratische idealen, gestalte kan krijgen, en moet krijgen.

De gebrekkige integrerende en articulerende functie die politieke partijen spelen steekt hier de kop op. De oppositie tussen politiek en leefwereld is er één van geïsoleerde, singuliere eisen die voor veel kiezers geen duidelijke vertaling kennen in een meer algemene visie die die eisen samenbrengt en deel uit doet maken van de politiek. Tegelijkertijd betekent dit gebrek aan politieke articulatie ook dat de singuliere eisen niet concreet als ‘politiek’ geformuleerd worden door kiezers. De eisen zijn voor kiezers veeleer een kwestie van gezond verstand, redelijkheid en moraliteit, ‘wat ieder normaal mens toch mag verwachten’. De statelijkheid van de politiek, zoals die zich presenteert aan kiezers, betekent aan de andere kant ook dat beleid niet tot stand komt vanuit een herkenbare politieke visie die tegenover andere visies gesteld kan worden; en daarmee is de oppositie tussen politiek en burgers er één van aan elkaar tegenovergestelde rationaliteiten, waarbij elke singuliere eis die tegenover de politiek gesteld wordt de oppositie symboliseert.

De veronderstelde rationaliteitsproblematiek suggereert een centraliteit van beleid, impliceert dat we politiek in termen van bestuur kunnen vatten. En inderdaad zien we dat kiezers in hun klagen over de democratie steeds weer spreken over beleid, en niet over strijd tussen visies en hun vertegenwoordigers. Beleidskwaliteit geldt als onproblematisch, wat een ‘goede beslissing’ zou zijn in een specifieke context ligt steeds voor de hand, vaak zonder dat sprake is van identificatie van een politieke opponent of opponerende visie. Dit suggereert dat de gebreken in de verbinding met de democratie a-politiek van aard zijn, slechts vragend om een overbrugging van afstanden door verwerving en verwerking van kennis: kennis van problemen zoals ervaren door burgers (meestal ongedifferentieerd). Hierbij gaan zij voorbij aan verschillen in visie op prioriteit en oplossingsrichting die in politiek en samenleving bestaan. Maar we zien ook dat de veronderstelde gebrekkigheid van rationaliteit die burgers zien bij politiek en bestuur, naar hun idee niet alleen leidt tot falen in de ontwikkeling van zinvol, bij de leefwereld aansluitend beleid, maar ook leidt tot verkeerde politieke keuzes. Als politici beter zouden weten, zouden zij andere keuzes maken, menen kiezers nogal eens. Terwijl zij dus bij ‘de politiek’ in zekere zin een ‘primaat van bestuur’ verwachten (de rol van politici is het oplossen van algemeen gedeelde problemen en het dienen van algemene doelen) zien zij tegelijkertijd die verwachting juist weer gelogenstraft (politici maken door een gebrekkige oriëntatie op de werkelijkheid keuzes die tegen de wil van burgers ingaan). Zij nemen dus zelf een politieke positie ten aanzien van beleid terwijl zij die in de beleidskeuzes die zij in beleid ontwaren juist weer niet zien; dit zijn politiek ‘verkeerde’ keuzes, maar dan niet gegrond in politieke visie maar in een gebrekkige oriëntatie op de werkelijkheid. Met de politieke visies die kiezers hebben, die zij formuleren in termen van gezond verstand of moraliteit, staan zij dus in hun verbeelding vaak ‘alleen’, d.w.z. zonder voor hen adequate verbinding richting de politiek die die visies, volgens de politieke theorie, voor hen zou moeten integreren, aggregeren en articuleren.

Het uitgaan van de eigen leefwereld kunnen we daarmee karakteriseren als oplossing en probleem tegelijkertijd. Want kiezers kunnen voor zichzelf dan wel normen bepaald hebben voor de democratie, ze hebben daarmee aan democratie nog geen gestalte gegeven. Hun eisen blijven immers nog altijd, voor hen, ongearticuleerd in het publieke domein. De oppositie tussen politiek en leefwereld is daarmee een vorm van oriëntatie op de werkelijkheid, maar niet meer dan dat. In zekere zin lijken kiezers het zoveel gesuggereerde verlies van het primaat van de politiek dan ook te bevestigen: klachten geldend het beleid, overstijgen dit wel in de zin van politieke betekenis, maar zonder vertaling naar een gearticuleerd alternatief dat voldoende ‘klachten’ aggregeert en integreert om politiek werkbaar te kunnen zijn, en bruikbaar zou zijn richting gezochte erkenning. Kiezers omschrijven overheidsbeleid dan wel als tot stand komend vanuit een logica die voor hen onacceptabel is omdat die in hun leefwereld leidt tot onaanvaardbare consequenties, maar er is dus voor een aantal van de kiezers op dit moment geen sprake van een alternatief, politiek gearticuleerd, ‘groot verhaal’. Grote verhalen die circuleren, zoals die van links rondom sociaal-economische onzekerheden of die van rechts, rondom bedreigingen van immigratie, kunnen voor deze kiezers, op dit moment, niet die articulerende rol spelen.

De normen die burgers met hun klachten uitdrukken zijn die van gelijkheid en soevereiniteit. En vanuit deze normen komen kiezers tot identificatie van praktijken die voor hen de democratie oriënteerbaar en betekenisvol maken. Burgers reclaimen middels hun klachten dus algemeen gedeelde democratische idealen. En daarmee, zie dit nieuw inzicht, over de wijze waarop burgers zich tot de democratie verhouden. Sinds jaren overheersen in de literatuur over ontwikkelingen in verhoudingen tussen burgers en de representatieve democratie termen van verval, zowel in België als daarbuiten. Vanuit onze conventionele waarheden bezien is het zelfvertrouwen waarmee deze ontevreden burgers zich tegenover de democratie verhouden verrassend te noemen. Als we uitgaan van de politicologische en bestuurskundige literatuur, delen zij immers een politieke en bestuurlijke werkelijkheid die sterk ingeboet heeft aan oriënteerbaarheid. Als we naar de ontevreden burgers kijken zien we niet de onzekerheid en verwarring die we aan de hand van de crisis-suggesties zouden verwachten. Burgers mogen dan wel oriëntatiepunten verloren zijn, in de zin dat zij (objectief gezien) veel waarop zij konden varen verloren zijn, voor zichzelf zien zij echter wel degelijk ijkpunten aan de hand waarvan zij tot hun bepaling van verbinding met de democratie komen. Als het gaat om het functioneren van de democratische instellingen hanteren zij normen die voor hen dus de democratie oriënteerbaar maken. De ondoorzichtigheid van partij- en coalitiepolitiek leggen zij naast zich neer. Als het gaat om de wijze waarop die instellingen zich tegenover hen verhouden, stellen zij zelf-beleefde of gekende problemen van beleid, als zodanig geïdentificeerd aan de hand van normen van rationaliteit geldig in de leefwereld, centraal. De zo vaak beschreven toegenomen complexiteit van politiek en bestuur wordt ook hierbij grotendeels genegeerd. De rationaliteit van ‘de politiek’ (waar zij vaak ook allerlei (semi-)overheidsinstellingen onder scharen) geldt voor veel van de kiezers als goeddeels onkenbaar en ongeldig, en deze rationaliteit en de context waarin die tot stand komt maakt dus ook maar zeer beperkt deel uit van de verbeelding van verbinding en problemen daarbij zoals kiezers die zien.

Burgers mogen dan wel ‘objectief’ gezien, politiek onderdak verloren hebben, omdat het huis verbrokkeld is en onherkenbaar geworden, zij bepalen eerder voor zichzelf (opnieuw) wat wonen is dan dat zij de moeizaam te navigeren berg kruimels als hun nieuwe thuis leren aanzien.

Het ontbreken van grote verhalen en de ondoorzichtigheid van structuren en processen mogen voor de beleving van verbinding dan wel problemen mag zijn, het zijn geen problemen zonder oplossing – voor zover het gaat om te komen tot oriëntatie op de politieke werkelijkheid. Als grote verhalen niet voorhanden zijn, en de werkelijkheid te complex om er iets van te vinden, dan doen we het zonder grote verhalen, en zonder grip op die complexe werkelijkheid. Betekenis zoals die zich wel aandient, en kennis van wat wel kenbaar is, is dan voldoende; dat wil zeggen, voldoende om tot oriëntatie te komen op die werkelijkheid, en een oordeel uit te spreken over de mogelijkheid om verbinding met de democratie te ervaren. Maar deze oriëntatie op de democratie, die politiek dicht bij huis zoekt, in duidelijkheid en beleefbare betekenis en erkenning, ziet zich geconfronteerd met een politieke praktijk die daar niet aan tegemoet komt. Met andere woorden, kiezers kunnen veelal geen verbinding met de democratie ervaren op de manier waarop zij dat graag zouden willen, volgens de normen die zij hiervoor hanteren.


Deze emancipatie is een zaak van attitude. Voor deze emancipatie als attitude is geen speciale expertise nodig, of sociaal kapitaal, of handelen. Maar aanwezigheid van deze emancipatie als attitude betekent nog geen emancipatie als ervaring, integendeel – en die ervaring is uiteindelijk waar het voor kiezers om gaat. Kiezers constateren immers dat de democratie niet op hun emancipatoire uitgangspunten is ingesteld. Want de politiek houdt niet voldoende vast aan agendapunten, leiderschap pakt niet voldoende door en staat niet dicht bij de mensen, resultaat is onvoldoende ervaarbaar en de leefwereld is voor de politiek onvoldoende uitgangspunt, stellen zij vast. Zij weten hoe zij mee willen tellen, en constateren dat dat meetellen niet aan de orde is.

In de verhalen en pleidooien van kiezers zie ik de voorbije maanden steeds weer de wens om ‘gehoord’ te worden centraal staan. Zij lijken zich daar mee aan te sluiten bij pleidooien voor participatieve democratie. Het is echter de vraag of aan de norm van ‘gehoord worden’ tegemoet gekomen kan worden via praktijken van participatieve democratie die gericht zijn op het geven van een stem aan verschillende belangen en perspectieven, deliberatie of dialoog. Praktijken van directe democratie, zoals die van participatie, deliberatie, en dialoog lijken dan wel aan te sluiten bij de vraag om de vraag ‘gehoord te worden’, maar gaat voorbij aan de politiek geladen rationaliteitoppositie tussen politiek en samenleving. Bij ‘gehoord worden’ lijken onze kiezers vooral te denken aan een politiek die luistert naar een (ongedifferentieerde) gemeenschap van burgers om de kennis en visie van deze te volgen en daarmee dan eindelijk democratisch te worden. Deze verbeelding van verbinding met de democratie suggereert een voedingsbodem voor populisme in de zin van een vraag om een meer direct vertegenwoordigende relatie tussen burgers en politiek, en grotendeels vanuit de (problematische) idee van een ongedifferentieerde bevolking.

 

Tegelijkertijd zien we aan de vraag om directe vertegenwoordiging geen idee van een nationale identiteit van ‘het volk’ aan ten grondslag liggen dat bevolkingsgroepen uitsluit, noch een omarming van autoritair leiderschap vanuit een onverschilligheid of afkeer ten aanzien van de democratie. Een fundamentele vraag is hier of stappen ten behoeve van versterking van de democratie hier zou moeten uitgaan van acceptatie van deze verbeelding, en inzetten op de oriëntatiepunten die deze burgers hanteren, juist de strijd ermee aan zou moeten gaan om deze oriëntaties te veranderen, of dat juist ingezet zou moeten worden op alternatieve oriëntaties, meer of minder ingaand op problemen van democratie zoals burgers die ervaren.

Kijk, bij Vrijheid capteren we al jaren dat ongenoegen. Luisteren naar mensen is één van dé primordiale motivaties van de oprichting van de nieuwe poltieke partij Vrijheid. Geef ons de kans onze, door u, volgepropte oren op politieke tafels te agenderen.

_

Vrijheid logo test inside.png
bottom of page